Een pelgrimstocht, 14-4-’19

BhrDSchie40 dagen tijd, Nieuws, PrekenLeave a Comment

Palmzondag, Project Stilte en Eenvoud: Pelgrimage

Veel mensen maken tegenwoordig een pelgrimstocht. Ze fietsen of wandelen naar Santiago de Compostella, Rome, of een andere bestemming. Als je zo op weg gaat, met bijna niets bij je, en in alle eenvoud vele uren in stilte doorbrengt, ontdek je wat betekenis heeft in je leven, en hoe je verder kunt gaan. Ook Jezus maakt een pelgrimstocht: naar Jeruzalem. Laten we met Hem meegaan!

In de Bijbel is iederéén op weg. Het volk Israël naar het beloofde land, en Jezus naar Jeruzalem, de stad van de vrede. In de Bijbel is ons leven een wég, een levenslang leerproces om vrede te vinden als persoon en als samenleving.
Óp die weg, gaat Jezus vóór ons uit, lezen we in vers 28. Helaas heeft de Nieuwe Bijbelvertaling dat weggelaten, maar, dat is belangrijk: Jezus gaat ons vóór op die weg.
Hier, in hoofdstuk 19, nadert Hij Jeruzalem. Hij is er bíjna. Bijna is hij op zijn bestemming. Wat zal Hij blij zijn! Maar nee: Hij huilt.
Hij zegt: Jeruzalem wéét niet, wat tot haar vréde dient. Dat is verborgen voor haar ogen. De stad van de vrede, weet niet hoe dat moet: in vrede samenleven.
Wat bedoelt Jezus? In teksten in het Oude Testament (Zach 9,9-10 en 1 Kon 1,33) gaat het over een koning op een ezel. Dat is de koning die van God komt. Het is een rechtvaardige koning, die vrede brengt. Jezus, die de stad binnenrijdt op een ezel, ís dus die rechtvaardige koning.
Alleen: Jeruzalem, herkent hem niet. Ze wil niets van hem weten. Jeruzalem kruisigt de rechtvaardige koning. Ze ziet niet dat juist Jezus ons leert hoe wij in vrede kunnen samenleven. Jeruzalem kiest voor oorlog en geweld.
Lucas schrijft dit rond 110 na Christus. Dan is er geen vrede in Jeruzalem. Dan is de vredevorst gekruisigd en de stad en de tempel zijn door oorlog verwoest. (70 na Chr.)
Jeruzalem heeft Jezus niet herkend en nu de stad in puin ligt, schreeuwen de stenen het uit:
zie je nu wel: oorlog en geweld maken alles kapot. Jézus is het, die vrede brengt.
Jeruzalem had de vorst van de vrede in haar midden, maar ze heeft hem niét herkend.
Jeruzalem is niet langer de stad van de vrede. Jeruzalem kan dus ook niet meer het doel zijn van ónze levensreis. Hier, in Jeruzalem, wordt Jezus zélf het doel van ónze levensreis.
Bij Hém kunnen we thuiskomen. ‘Een mens te zijn op aarde’, zegt Willem Barnard (in lied 538) is: ‘net als Jezus worden, die ’t ons heeft vóórgedaan’. Hij leert ons léven. Hij brengt ons vrede met onszelf en met elkaar.

De leerlingen van Jezus zien dat. Voor hen is zijn intocht dan ook een feest. Nu wordt Hij koning. Nu aanvaardt Hij de macht. Een menigte leerlingen, zet Jezus op een ezel, en werpt de loper voor hem uit. Ze loven God met luide stem en vol vreugde om alle krachten die ze hebben gezien. Ze roepen: gezegend is de koning, met de naam van de Heer. Vrede in de hemel en eer aan de allerhoogste.
Het lijkt wel Lucas 2. Daar, bij de aankondiging van de geboorte van Jezus, gaat het niet over een menigte leerlingen, maar over een menigte engelen. Ook zíj zeggen het al: deze mens leeft tot eer van God. Híj brengt vrede op aarde. Hij brengt vrede op aarde, door de krachten die Híj doét. Dat zijn niet krachten van oorlog en geweld. Het zijn krachten, in zwakheid volbracht. Jezus geeft zichzelf. Hij durft de minste te zijn. In al zijn kwetsbaarheid en pijn houdt Hij vast aan de liefde. Dat is het leven dat Hij ons leert.

Aan het begin van onze lezing, in vers 29 staat: ‘en het geschiedt’. Als je dat leest in de bijbel,
dan moet je opletten, dan gebeurt er iets belangrijks. ‘En het geschiedt, staat daar, dat Jezus twee leerlingen uitzendt, om een ezel te halen’. Op de weg waarop Jezus ons voorgaat, heeft hij een ézel nodig. Als de leerlingen wordt gevraagd, waarom ze die ezel losmaken, dan moeten ze zeggen: ‘De Heer heeft het nodig’.
Het gaat hier om het veúlen van een ezel, een jonge ezel dus, een ezel waar nog nooit op is gereden. Ook dat heeft betekenis.
Ik zei het al: op zo’n pelgrimsreis in eenvoud en stilte, krijgt alles wat gebeurt een diepere betekenis, dan zie je verbanden die je eerder niet zag.
U weet misschien nog dat het volk Israël door de woestijn trok met de Ark in hun midden.
De Ark was het symbool van God, die met het volk meetrekt. God zelf kunnen we niet zien,
maar Hij is er wel. Hij trekt met ons mee, maar: verborgen. Die Ark werd getrokken door jonge koeien, die nooit eerder een juk hadden gedragen, dus net als die jonge ezel. Die koeien en deze ezel, hebben dus een belangrijke rol. Zij dragen de God, die verborgen is. Zij zorgen dat Gód in ons midden is. De ezel dráágt Gód. De ezel is óók het symbool van dienstbaarheid. Als je al die dingen samenneemt, dan ontdek je: God wordt ‘gedragen’ door de mens die ons helpt. We zien God niet en toch kunnen we God ‘ontdekken’ (beter gezegd: Hij schemert door) in de mens die ons helpt. In het gelaat van degene die ons helpt, zien we God. Daardoor weten we, dat God bij ons is en met ons mee trekt. Zoals de ezel Jezus draagt en dient, zo draagt en dient Jezus ons. Op onze levensweg hebben wíj Hém nodig.

Vorig jaar wandelde Ernst met onze dochter Ruth, in Frankrijk, een gedeelte van de pelgrimsweg naar Santiago. Op een snikhete dag werd de tocht voor Ernst te lang. Ruth liep verder, maar hij ging liften. Hij werd afgezet in een stadje verderop. Toen hij op de kaart stond te kijken, hoe hij verder moest, kwam een vrouw uit een huis, en gaf hem een literfles met water. Blijkbaar had ze gezien, dat hij er verhit en uitgedroogd uitzag. Dankzij dat water
kon hij het laatste uur van zijn wandeling volhouden. Zomaar iemand, die op je weg komt. Die ziét wat jíj nódig hebt, en je dat gééft!
Vroeger hoorde ik weleens iemand zeggen, dat Jezus onze last draagt. Dat vond ik raar.
Mijn pijn en moeite wordt heus niet minder omdat ik geloof. Nu denk ik, dat met deze uitspraak iets anders werd bedoeld. De pijn en de moeite blijven hetzelfde, maar door de hulp van de ander, ervaar je dat Gód je nabij is en je helpt. Dat doet je zo goed, dat je weer verder kunt.
Op Goede Vrijdag zingen we: (586), ‘Zie de mens die in zijn lijden teken is – voor alle tijden –
van wat liéfde drágen kan.’ Jezus laat zien wat liefde dragen kan. Dat hebben we nodig om verder te kunnen en om thuis te komen bij onszelf en de ander. Liefde. Hulp onderweg. Hulp geven én hulp accepteren. Accepteren dat je kwetsbaar bent, dat je er alleen niet komt. We hebben elkaar nodig. Zonder de hulp van de ander kan het niet.
Toen ik op mijn 38ste, na een val van een trap blijvend een deuk in mijn achterste overhield,
werd die deuk voor mij een mooi beeld van al die butsen en deuken die je in je leven oploopt. Lichamelijk en geestelijk. Soms al heel jong. Ze laten sporen achter en naarmate je ouder wordt, worden het er alleen maar meer. Op onze levensweg naar een nieuwe toekomst, kunnen we niet vanaf de zijlijn toekijken. We kunnen niet om het lijden héén.
Als je echt wilt veranderen en thuis wilt komen bij jezelf en anderen dan moet je de weg van Jezus gaan– met alle pijn en moeite van dien. Geen nieuw begin zonder Goede Vrijdag.
De christelijke woestijnvader Evagrius Ponticus. (4e eeuw) stelt het leven voor als een huis.
Elke dag staan er nieuwe gasten voor de deur. Die gasten dat zijn gedachten en gevoelens.
Evagrius zegt: laat die gedachten en gevoelens, ook de moeilijke en verdrietige, maar binnen komen. Stuur ze niet weg, maar nodig ze uit, om bij je binnen te komen en je gast te zijn.
Misschien, zegt Evagrius, zendt God ze wel. Om je iets te laten zien. Misschien vertellen zij jou hoe Góds liefde die moeilijke en verdrietige dingen in je leven kan veranderen, en je ermee in het reine kunt komen. Tegenwoordig moeten we perfect zijn: op ons werk, als ouder,als kind. Maar, zegt Evagrius: als je denkt dat je perfect bent of moet zijn, vind je geen vrede. Die vind je, als je je zwakte aanvaardt en leert daarmee te leven.

De pelgrimstocht van Jezus wordt de onze. Hij gaat ons voor. Hij is ons doel.
En net zoals Hij onderweg een ezel nodig heeft, hebben wij Hem nodig op onze weg.
Als wij onze zwakte in vreugde aanvaarden, kunnen we Hem ontdekken in het gelaat van de mens die ons helpt en vinden we vrede met onszelf en elkaar.
Straks zingen we: ‘Jezus ga ons voor’,
én:
‘Ú volgend op uw schreden, gaan wíj moédig met U méde’.
Amen.

Lucas 19 vers 28-44, Jesaja 50 vers 4-7 en Filip. 2 vers 5-11

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.